Berichten 2015

Heden en toekomst van christenen in Israël en in het Midden Oosten

Lezing uitgesproken door Mgr. Michel Sabbah, Patriarch emeritus van Jeruzalem op een conferentie met als thema “Identiteit van de christelijke Palestijnse Arabieren in Israel” op het Harry Truman Instituut te Jerusalem

20150210HedenentoekomstChristeneninIsraeleninhetMiddenOostenlezingMgrSabbah
Patriarch Michel Sabbah

  1. Wie zijn wij?

Wij zijn christenen in Israël en tegelijkertijd zijn wij christenen in het Midden Oosten. We zijn met vier kerkelijke families, die, op één na, de Assyrische Kerk van het Oosten,

verenigd zijn in de Raad van Kerken van het Midden Oosten ( MECC) met als

hoofdkwartier Beiroet, Libanon.

De vier families zijn: – de Orthodoxe (Alexandrië, Antiochië, Jeruzalem en Cyprus), – de Oosterse (de Kopten van Alexandrië, de Syriërs van Antiochië, de Armeniërs van Cilicië met hun hoofd in Antelias, Libanon; en de Armeniërs van Jeruzalem die zich onder het gezag van Etchmiadzin in Armenië scharen),-de Katholieke, met zeven patriarchaten (Alexandrië, de Kopten; Antiochië, de Grieks Katholieken; de Syrisch-Katholieken en de Maronieten; Baghdad, de Chaldeeën; Libanon (Bzummar), de Armeniërs; en Jeruzalem, de Rooms Katholieken of Latijnsen).

In 1990 werd de Raad van de Katholieke Patriarchen van het Oosten opgericht, met als zetel Beirut. De Wereldraad van Kerken (WCC) zag halverwege de eerste helft van de 20e eeuw het leven en omvat vrijwel alle wereldkerken, inclusief drie van de vier kerkfamilies in het Midden Oosten: Orthodox, Oosters en Protestant of Evangelisch. De Katholieke Kerk is geen lid, maar werkt op veel terreinen wel samen met de Wereldraad.

Kerk en etniciteit: aan de namen van de Kerken in het Midden Oosten kunnen we de etnisch/linguïstische wortels aflezen: Grieks, Koptisch, Syrisch, Chaldees, Assyrisch, Armeens, Latijns of Romeins. De naam kan een aanwijzing vormen voor het gebruik van de desbetreffende taal in de liturgie of de gebeden (zoals het Latijn), terwijl bij sommige andere kerken een bepaald besef van etniciteit gebleven is, hoewel dit bij veel andere verdwenen is: zo beschouwen de Rooms Katholieke (Latijnse) gelovigen zichzelf hier en in de regio als Arabieren. De Grieks Orthodoxen zijn niet noodzakelijk etnische Grieken: de hierarchie in Jeruzalem en Alexandrië is wel Grieks gebleven, maar de gelovigen benadrukken hun Arabische identiteit, en in Antiochië is de hierarchie al sinds het einde van de 19e eeuw Arabisch. Dit besef van behoren tot de Arabische wereld kenmerkt ook de Grieks Katholieke Kerk. De Kopten in Egypte hielden hun eigen taal uitsluitend in de liturgie, krachtig geherintroduceerd door de pausen Kirill VI en Shenouda III  om de eigen identiteit te bevorderen, omdat de Koptische kerk in de loop der eeuwen vrijwel volledig gearabiseerd was. De Kopten achten zich deel van de Arabische wereld, maar hebben tevens het gevoel dat zij zich daarvan onderscheiden. De kerken in de Syrische traditie (de Syrische, Maronitische, Chaldese en Assyrische) hebben in uiteenlopende mate de Syrische taal geconserveerd in de liturgie en soms wordt de taal ook nog thuis gesproken, maar dan wel naast het Arabisch. Sommigen, afhankelijk van tijd en context, hebben het besef gestimuleerd dat men een niet-Arabisch volk is, dat tot de Arabische wereld behoort.

Van belang is het om te wijzen op de christelijke bijdrage aan de Arabische moslim- samenleving. Tijdens het Kalifaat speelden christenen een actieve en constructieve rol; zij vertaalden de Griekse cultuur naar het Arabisch en waren de belangrijkste motor in culturele ontwikkeling. Christenen hadden een belangrijke rol in de Arabische

emancipatie in de 19e eeuw, nog voordat de Moslims zich daarbij aansloten. In deze Arabische emancipatie, dikwijls beïnvloed door de Franse revolutie, streefden christenen ernaar, de relatie tussen staat en godsdienst te definiëren. Veel oprichters van moderne politieke partijen waren christenen die trachtten, een soort seculiere samenleving te vestigen waarin alle burgers gelijk waren en niet gediscrimineerd werden om hun religieuze overtuiging. De seculiere Baath partij slaagde erin om in Syrië en Irak aan de macht te komen en daar een bepaalde mate van veiligheid voor christenen en andere minderheden te bewerkstellingen door de scheiding tussen religie en staat uit te roepen, zij het dat men de Islam niet volledig buiten spel kon plaatsen. Het lukte echter ook niet om democratie te introduceren; veeleer leidde het tot tamelijk dictatoriale regiems.

  1. Christenen in Israël en Palestina: de leiders van de kerken.

Hier in Israël en Palestina zijn vier kerkelijke families aanwezig: de Orthodoxe (Grieks, Russisch en Roemeens), de Oosterse (Armeens, Koptisch, Syrisch en Ethiopisch), deKatholieke (Grieks, Rooms Katholiek of Latijns, Maronitisch, Syrisch, Armeens enChaldees) en de Protestanten (Lutheranen, Anglicanen en andere denominaties). We zijn allemaal verschillend, we hebben verschillende liturgieën die geworteld zijn in verschillende talen. We zijn hierarchisch verdeeld, autonoom ten opzichte van elkaar. Samen vormen we een kleine gemeenschap, ongeveer 2% van de bevolking in Israël en Palestina. Hier moet nog de Franciscaanse Custodie in het Heilige Land bij opgeteld worden, behoeders van de heilige palatsen voor de wereldwijde Katholieke Kerk.

Hoe divers we ook zijn en hoe hierarchisch verdeeld ook, doorgaans onderhouden we goede betrekkingen met elkaar. We komen regelmatig samen om zaken te bespreken die te maken hebben met het godsdienstige, sociale en politieke leven van onze mensen. Voor onze grootste feesten, Kerst en Pasen, volgen we twee verschillende kalenders, maar er is een lange traditie om elkaars feestelijke vieringen te bezoeken en elkaar goede feestdagen toe te wensen.

Als het gaat om het Israëlisch-Palestijnse conflict dat ons dagelijks leven bepaalt, verwachten de gelovigen dat de Kerk zich uitspreekt voor gerechtigheid en dat zij opkomt voor handhaving van mensenrechten. Dat is onze plicht. Soms is het moeilijk om op dit terrain consensus te bereiken, omdat er verschillend gedacht wordt over de relatie tussen kerk en politiek . Ook staan de kerken op allerlei wijzen onder druk van de autoriteiten. Het is gemakkelijker om zich in stellige termen uit te spreken over wat in Syrië en Irak gebeurt dan over wat in Jeruzalem plaatsheeft. Sommigen onder ons hameren er op dat we ons moeten mengen in de politieke situatie en dat we daar krachtig moeten benoemen wie de onderdrukten zijn en wie de onderdrukkers. Het is in die opinie simpelweg een elementair mensenrecht en een religieuze plicht dat we ons duidelijk uit spreken, zelfs al wekt het de woede van de politieke machthebbers. Anderen stellen dat het conflict politiek van aard is en dat we ons er daarom als Kerk buiten moeten houden. Daarom zijn uitspraken van de Kerk, wanneer deze in het openbaar gedaan worden, dikwijls bijzonder gematigd en soms haast volledig nietszeggend. De politieke autoriteiten op hun beurt zeggen ons: het conflict, de bezetting, dat alles is politiek en jullie, kerkleiders, moeten je daar niet mee bemoeien. Spreek over vrede, bid voor vrede, maar houd je er verder buiten. Jullie werk is om te bidden en wierook te branden.

Derhalve is de vraag voor ons allen: wat voor houding nemen we als religieuze leiders aan ten opzichte van het conflict tussen Israël en Palestina? En nog een vraag: hoe moet de relatie tussen kerk en staat zijn? Moeten we positie kiezen voor de onderdrukten tegenover de onderdrukker of moeten we ons stil houden? Een christelijke leider zou aan de kant van de armen en verdrukten moeten staan. Daarmee staat hij nog niet per se lijnrecht tegenover de andere partij. Hij zou tegenover niemand moeten willen staan. Hij is pro-humaniteit en pro-beschermwaardigheid van het leven en beide partijen gaan hem aan het hart. Maar wanneer een van beiden onderdrukt wordt, moet hij zeggen dat dit het geval is en dat deze onderdrukking ten einde moet komen.

Zoals het Tweede Vaticaans Concilie zegt:

Daarom stelt het Concilie zich voor, de echte en edele vredesgedachte te illustreren, de afschuwelijkheid van de oorlog te veroordelen en de christenen dringend op te roepen om, met de hulp van de vrede-brenger Christus, samen te werken met alle mensen om de vrede in gerechtigheid en liefde onder hen te vestigen en de vredesinstrumenten gereed te maken (Gaudium et Spes, 77).

  1. Christenen in Israël, het volk

Een fundamenteel christelijk principe is de universaliteit van visie: als ik lijd, lijd ik niet alleen. Allen met wie ik samen leef bevinden zich in dezelfde situatie van conflict en oorlog, zowel Israelis als Palestijnen. Daarom moet ik bij mijn inspanningen om een einde aan mijn lijden te maken, tevens aandacht en zorg geven aan allen rondom mij die lijden, ongeacht hun nationaliteit en religie.

Een tweede principe is dat van loyaliteit aan zichzelf en het eigen volk. Daarom staat voor inheemse christenen in Israel niet simpelweg de relatie tussen christenen en Israëlis op het spel, maar de algehele relatie tussen Israëlis en Palestijnen. Inheemse christenen zijn Arabieren en Palestijnen (met uitzondering van een kleine groep Hebreeuwssprekenden) . Daarom maken we beiden deel uit van het conflict en nemen we beiden deel in de pogingen om tot vrede te komen. We zijn deel van hen die lijden onder de bezetting en deel van hen die lijden onder discriminatie. Daarom is de houding van Palestijnse christenen zowel Palestijns als christelijk (in ons vragen naar vrijheid, een einde aan de bezetting en gelijkheid), geheel in de geest en de weg van Christus.

Ten aanzien van de christelijke Palestijnen in Israël dienen we onderscheid te maken tussen twee verschillende situaties. De ene situatie is die van de Bezette Gebieden, de andere die van Israël. In de Bezette Gebieden leven de christenen onder militaire bezetting, overheerst door een regiem van controleposten en andere obstakels die het dagelijks leven bemoeilijken. De bijdrage van christenen in deze is niet anders dan die van welke burger dan ook in een vergelijkebare situatie: men tracht met alle legitieme middelen een einde aan de bezetting te maken en onafhankelijkheid en vrijheid te verwerven. Deze legitieme middelen dienen uiteraard niet in strijd te zijn met de principes van christelijke naastenliefde en het onderricht van de kerk, waarbij het liefdegebod fundamenteel is.

In Israël zijn de christelijke Palestijnen staatsburgers. Ze hebben de plichten en zouden ook de rechten van staatsburger moeten hebben. Ze zouden loyaal aan de staat, maar ook loyaal aan zichzelf moeten zijn: door gelijkheid te eisen en een einde aan elke vorm van discriminatie. Een aspect van hun loyaliteit aan Israel zou juist tot uitdrukking kunnen komen in vastbeslotenheid om Israël te helpen, zichzelf te ontdoen van zijn ‘probleem’met de Palestijnen, door een einde aan de bezetting te maken.

In Israël hebben christenen nog een ander probleem, namelijk de kwestie van hun persoonlijke veiligheid. Christenen in Israël voelen zich vaak niet veilig. Misdaden van de ene Palestijn jegens de ander worden vaak niet vervolgd, zelfs niet als de daders bekend zijn. In veel gevallen reageert de politie niet op klachten. En als er spanningen ontstaan tussen christenen en moslims, Druzen en moslims of Druzen en christenenen, treedt de politie dikwijls niet op. We kunnen zelfs de vraag stellen of de politie misschien een eigen agenda heeft. Anders gezegd, voeren de autoriteiten eigenlijk een soort ‘verdeel en heers’ beleid en bevorderen ze deze spanningen misschien zelfs? Binnen de Palestijnse gemeenschap in Israël, of het nu moslims, christenen of Druzen betreft, zijn degenen die zich veilig voelen degenen die over een persoonlijk wapen beschikken. En degenen die

een wapen hebben, zijn doorgaans in dienst van de regering, of zij nu moslim, christen of

Druze zijn.

In de christelijke gemeenschap in Israël is een nieuwe vraag opgekomen: er klinken onder de christenen tegenwoordig stemmen, daarin aangemoedigd door de autoritieten, die zeggen “ we zijn geen Arabieren, we zijn Arameeërs.” Waar komt deze merkwaardige gedachte vandaan? Misschien uit een denkbeeldig verleden: het is waar dat sommigen van ons, christenen, eeuwen geleden Aramees gesproken hebben, evenals de Joden. Maar de geschiedenis is voortgeschreden en heeft mensen en omstandigheden veranderd. Heden ten dage zijn wij wat we zijn: Palestijnen, Arabieren en christenen. Het weer tot leven wekken van een ver verleden maakt iemand niet automatisch los van zijn of haar volk. Het is niet altijd gezond om te voor een moeilijke situatie in het heden te vluchten in een ‘mythisch’ verleden. Doorgaans is het beter om de actuele uitdagingen onder ogen te zien en anderen te helpen, dat eveneens te doen. Daarnaast zou ik tot een christelijke Palestijn die tegenwoordig beweert, Arameeër i.p.v. Arabier te zijn: als je een speciale loyaliteit met Israël tot uiting wilt brengen, begin dan loyaal aan jezelf te zijn. Als je niet loyaal aan jezelf bent, kun je aan niemand loyaal zijn. Ik denk niet dat deze ‘vlucht in de verbeelding’ Israël werkelijk helpt. Loyaliteit betekent niet dat we Israël van nog meer soldaten voor het leger of nog meer collaborateurs is de samenleving voorzien. Het zal de christenen geen voordeel brengen, zelfs niet als een enkeling wellicht zal profiteren door het krijgen van een baan, toegang tot de universiteit etc. Deze ‘vlucht in de verbeelding’ is veeleer een zoveelste bron van verwarring en interne verdeeldheid, in Israël en onder de christelijke Palestijnse burgers van Israël.

De Commissie voor Gerechtigheid en Vrede van de Katholieke Ordinarii in het Heilige Land stelt in een verklaring van 18 september 2014, ‘dat het niet de roeping van de christen is om plotseling Arameeëer te worden of oorlog te gaan voeren. In de roeping door Christus gaat het erom, de weg naar vrede te wijzen en die te gaan. Deze vrede dient gebouwd te zijn op de waardigheid van elk menselijk wezen, hetzij Palestijns hetzij Joods. Zalig zijn de vredestichters, want zijn dienen waarlijk God en de mensen, alle mensen, Palestijnen en Israëlis en het gehele gebied’.

  1. Christenen in het Midden Oosten

Ik verbreed nu het perspectief en pas het zelfde principe toe op mijn visie op christenen in het hele MIdden oosten. Zovelen lijden in deze regio: wij zijn niet de enigen. Velen lijden net als wij. De Katholieke Patriarchen van het Oosten hadden zich deze verbondenheid met de mensen in de regio al gerealiseerd. In hun tweede Pastorale Brief van 1992, herhaald in die van 2009, zeiden ze: “De hele maatschappij wordt geraakt door het Arabische socio-politieke deblacle. Ook christenen, want zij leven niet geisoleerd van hun samenleving. Net als de anderen, en misschien zelfs wel meer, worden zij geraakt door de bestaande conflicten in de regio. Ze zijn vaak  zelfs als eersten het slachtoffer, zoals blijkt uit de huidige situatie in Israël en Irak. (In 2011 hadden de revoluties zich nog niet naar alle Arabische landen uitgebreid). Daarom bevindt de hele samenleving, zowel moslims als christenen, zich in een staat van verbijstering…” Christelijke zichtbare aanwezigheid in het Midden Oosten is allereerst een interne kwestie: hoe zien christenen zichzelf en hun rol in hun samenlevingen, en hoe zien ze zichzelf in hun betrekkingen met moslims en, hier in Israël, met Joden. Vervolgens is het ook een externe kwestie die samenhangt met de politieke kijk en het beleid voor deze regio van de Westerse wereld.

Hoe zien we onszelf, hoe sterk zijn de etnische verschillen die in sommige landen tot op de dag van vandaag zijn blijven bestaan? Een christen behoort tot zijn volk, tot zijn land en samenleving, net als ieder ander menselijk wezen. We zijn maar met weinigen, maar we zijn geen minderheid in de zin van een vreemd element in ons land. En wij zeggen: we zijn geen getallen, geen statistische gegevens, we zijn voor honderd procent menselijke wezens. Elk van ons is een schepsel Gods, net als ieder ander in het land, moslim, Jood, Druze of christen. We behoren tot ons volk, hoe ons volk zich ook mag gedragen tegenover ons, verwelkomend of als vervolgers, zoals nu in Syrië en Irak.  Meer nog, als christenen weten we ons gezonden tot ons volk: we hebben een missie, we hebben een boodschap voor ons volk, om bij te dragen aan de identiteit ervan en om onze samenleving op te bouwen en te verdedigen in alle omstandigheden, gemakkelijk, of moeilijk, zoals heden ten dage. Jezus heeft tegen ons gezegd: jullie zijn het zout, het licht in jullie samenleving. Dat betekent dat we in ons openbare leven smaak aan het leven geven, conform onze christelijke waarden en handelwijze. Christenen denken niet noodzakelijk allemaal allemaal hetzelfde. Dat is de realiteit. Maar we moeten onze gelovigen opvoeden in deze visie en deze geest. Wat ook het gedrag van onze samenleving, als christenen zullen we altijd betrokken zijn bij alle gebeurtenissen en ontwikkelingen. Centraal voor ons als christenen is dat we ons altijd vasthouden aan ons gebod: heb elkaar lief, uw naasten, en zelfs uw buren en vijanden.

Hoe gaat de samenleving met ons om?

Dit is een tweevoudige kwestie. Allereerst gaat het er in elk land om, dat we volledige gelijkheid verwerven. Dat is moeilijk, zolang de bevolking wordt beschouwd als een samenstelsel van moslims en christenen. De staat is verplicht om godsdienst in aanmerking te nemen. Ten tweede staan we heden ten dage, met alle revoluties die gaande zijn, een proces dat in januari 2011 begon, tegenover een toenemende dreiging van islamitische militias (zoals ISIS) en soortgelijke organisaties, iets dat alreeds zijn effect heeft op de christenen in Syrië en Irak: moordpartijen en gedwongen emigratie.

Ten tweede is de christelijke presentie in het Midden Oosten een externe kwestie die samenhangt met de politieke wereldvisie en de beleidsplannen van de westerse wereld voor deze regio. Dat betekent dat christelijke presentie uiteindelijk afhangt van de westerse machten en hun beleid voor deze regio. Het lijkt erop dat christenen in dit westerse beleid volstrekt niet bestaan. De westerse mogendheden hanteren uitsluitend politieke en economische criteria en wij, christenen, zijn voor hen volstrekt niet van betekenis, noch politiek, noch enonomisch, niet wanneer men de oorlog verklaart noch wanneer men gewelddadige veranderingen van regime bewerkstelligt, zoals het geval was bij de invasie in Irak.  In dit soort gevallen is het prima wanneer wij als christenen overleven. Als we omgebracht worden, betuigt men medelijden. Als we vluchtelingen worden, heb je kans dat de westerse machten ons humanitaire hulp sturen, dat ze vluchtelingenkampen onderhouden en zelfs dat ze ons een visum geven om te emigreren. Maar hun ‘Realpolitik’ verandert niet en dit is het belangrijkste risico voor onze toekomst als christenen in de regio. Wat betreft de relatie tussen moslims en christenen, deze vormt voor ons niet slechts een uitdaging, ze behoort tot onze missie en we zullen ons toewijden aan deze missie, zoals onze voorouders altijd hebben gedaan, al sinds de tijd van het eerste Kalifaat tot in de dagen van de hedendaagse Arabische emancipatie.

  1. Onze toekomst

Onze toekomst hier, als christenen in Israël en Palestina, hangt af van de toekomst van Israël en Palestina. Wanneer er stabiliteit gerealiseerd kan worden, zal dit stabiliteit en voorspoed voor allen betekenen, inclusief de christenen. Als de oorlog blijft voortduren, betekent dat sociale en economische instabiliteit voor christenen en voor alle anderen. Het zal door de oorlog , politieke belangen, armoede, werkloosheid, ongelijkheid in kansen en opleiding etc. een periode van verwarring blijven. Een tijd van onzekerheid, fysiek en moreel, en de mensen zullen gebruikt en misbruikt worden “om veiligheidsredenen”. Voor allen onder ons die gewoon een normaal leven willen, zonder grote idealen, zal het een tijd van wanhoop en een langzame dood zijn, of we nu ‘christenen” of “Arameeërs” genoemd worden.

Met al deze externe locale en international factoren en de socio-politieke ontwikkelingen in onze regio in het acherhoofd, hangt onze toekomst als christenen uiteindelijk helemaal van onszelf en ons eigen geloof af. De 10e Pastorale Brief van de Katholieke Patriarchen van het Oosten zegt: “De toekomst van de christenen in het Oosten ligt in de handen van God en in hun eigen handen. Het is in hun eigen handen in die mate waarin hun geloof een geestelijke kracht in henzelf wordt, waarmee ze de moeilijkheden onder ogen kunnen zien, noodzakelijke stappen kunnen zetten en kunnen bijdragen aan de gezamenlijke inspanningen tot opbouw.”

Onze toekomst hangt samen met onze rol in onze samenlevingen. Het hangt samen met onze relatie met de moslims. Het hangt samen met het conflict tussen Israëlis en Palestijnen. Het hangt samen met de plannen van de westerse mogendheden voor deze regio…. Maar het is vooral een kwestie van geloof. Zonder geloof is het domweg de kwestie van de zoveelste minderheid, een strijd tussen kleine en grote aantallen, waarbij we aan de genade van woeste en egoïstische krachten rondom ons zijn overgeleverd.

Als het een kwestie van geloof is, betekent dit dat we een missie hebben, we zijn een missie, waar we ook zijn, onder alle omstandigheden, gemakkelijk of minder gemakkelijk, in vrede en in oorlog. Met geloof, met de notie dat wij mensen met een missie zijn, zijn we sterk. Niet sterk om te doden of agressief jegens anderen op te treden, maar om meer te kunnen liefhebben en meer bij te kunnen dragen aan het universele menselijke bouwwerk van een samenleving waarin we als broeders en zusters met elkander leven.

Als we te maken krijgen met dood en dodelijke vervolging, moeten we ons vertrouwd maken met de notie van het martelaarschap: ons leven geven voor het leven van onze samenlevingen, zelfs voor hen die ons ter dood brengen, zó dat dezen uiteindelijk ook tot een waarachtig besef komen van de betekenis van het leven. Dit moge te idealistisch klinken, maar helaas heeft het alles te maken met de harde werkelijkheid van onze tijd die nog van dag tot dag kan verslechteren. In een normale situatie, waarin we niet direct geconfronteerd worden met dood en vervolging, is onze keuze onze roeping: deel hebben aan de opbouw van onze samenleving. In abnormale omstandigheden, wanneer we direct met de dood geconfronteerd worden, hebben we twee keuzen:  soldaat worden, legers vormen om enkelen van onze vijanden te doden en zelf gedood te worden voor politieke doelstellingen; óf ons leven te geven als martelaar voor ons geloof en voor het leven van onze vijand. Alleen deze laatste keuze is een christelijke keuze. Het was de keuze van de eerste christenen hier in Jeruzalem, in het Midden Oosten en in het gehele Romeinse Rijk. Zij stierven voor hun geloof en voor het leven van hun vervolgers, en uiteindelijk overwonnen zij.

Jeruzalem, 20.1.2015

Vertaling: Henk Fonteyn